Een korte vlucht brengt ons naar Hobart, de hoofdstad van Tasmanie. De tijd heeft hier echt stil gestaan, we wanen ons in Engeland in de jaren ’70. We hebben dan ook een “antique style” kamer in het hotel. Deze stijl kenmerkt zich door 30 jaar achterstallig onderhoud, bloemetjes badkamer en idem gordijnen.
De Hobart Salamanca market is wel erg geinig. Uit de omgeving komen mensen met zelfgebakken koekjes, jams, gehaakte kleedjes, mutsen en zelfgebreide sokken. Ken je dat brooddeeg nog waar we als kind poppetjes van bakten, nou dat verkopen ze hier als hot new items. De capuccino bij Maldini smaakt prima en we kopen een mooie piratenhoed voor Tijn en zelfgemaakte Tasmaanse bitterkoekjes.
Onze eerste bezienswaardigheid is Port Arthur. Dit is een oude gevangenis uit de tijd van de eerste kolonisten in Tasmanie. Het is mooi en goed bewaard. Opvallend is dat alles perfect georganiseerd is. Bij de ingang wacht je een warm welkom door een mevrouw die je precies adviseert welk ticket voor ons het best past, welke rondleidingen we kunnen doen etc. Niet echt avontuurlijk, maar wel heel aangenaam en onwijs aardig.
Via de Tasman Highway rijden we langs de oostkust. De uitzichten zijn echt waanzinnig mooi. Prachtige stranden, rotsformaties en bossen. In coles Bay, bij de ingang van het Freycinet National Park, eten we wat. We blijven 2 nachten in een stoere lodge midden in het park.
Hier doen we een paar waanzinnige korte wandelingen. Het is echt een avontuur, we klimmen op rode rotsen en lopen langs kliffen en prachtige kusten. Tijn vindt het echt heel cool en Max hobbelt supergoed mee. Op de “friendly beaches” pootjebaden we lekker en genieten van de zon. De kleintjes zijn helemaal in hun hum. Max leert weer een nieuw woordje: “nat” en Kim probeert Tijn antwoord te geven op de vraag waarom morgen morgen is en niet vandaag.